You do not currently have permission to view the full text for this document. Please sign in to an account with an active subscription or contact support.
Wie denkt dat de psychoanalyse definitief het academische toneel heeft verlaten, krijgt door de oprichting van deze internationale vereniging het nakijken. Het stichtingscongres, waarbij gedurende vier dagen een ongeziene diversiteit aan bijdragen werd gepresenteerd, bracht een heuse update voor diegenen die zich afvroegen wat de meerwaarde van de psychoanalyse voor de filosofie betekent en vice versa. Wie een blik werpt op de rijk gevulde affiche merkt onmiddellijk dat een uitgelezen gezelschap analytici-filosofen present tekende en dat de organisatie van dit dubbeltreffen, met haltes in Leuven én Parijs, een huzarenstuk moet zijn geweest. Dit om over onderstaande poging tot evocatie van enkele hoogtepunten nog maar te zwijgen. Tromgeroffel in het Hoger Instituut voor Wijsbegeerte te Leuven voor het eerste deel van een groots opgezette lezingenmarathon aangaande de filosofische kritiek op het concept ‹seksualiteit› in de psychoanalyse, voorgezeten door Philippe Van Haute (Nijmegen). Tomas Geyskens (Leuven) beet de spits af met een erg gewaardeerde, visueel ondersteunde lezing over Deleuzes Francis Bacon , waarin het werk van deze schilder aanleiding geeft tot de stelling dat hysterie de klinische essentie vormt van de schilderkunst. Geyskens' kritische benadering van de psychoanalytische theorie mondde uit in een verkenning van een esthetische kliniek van de hysterie (Geyskens 2008). Het was echter Zeljko Loparic (Sao Paolo) die met een verwarrende winnicottiaanse lectuur de filosofische lont aanstak. Voor het eerst werd de hamvraag omtrent het wezen van de seksualiteit ter discussie gesteld vanuit het klassiekfreudiaanse voorbeeld van het duimzuigen. De presentatie van Elissa Marder (Atlanta) sloot hier naadloos op aan. Zij bracht een originele lectuur van Freuds Wolvenman , met specifieke focus op de plaats en de betekenis van de diverse fauna in de tekst. Daarbij werd onder andere stilgestaan bij de temporele status van de oerscène en de structuur van de Nachträ