You do not currently have permission to view the full text for this document. Please sign in to an account with an active subscription or contact support.
‹Bij het verrichten van een analyse moet men iets dat juist door de lichtschittering eromheen onzichtbaar blijft daaruit laten oplichten door het te omgeven met een bundel van intense duisternis.› Deze zin (vertaling: PN) uit een brief van Freud aan Lou Andreas-Salomé las Bion — zeer tegen zijn gewoonte — aan het eind van een analyse-uur voor aan James Grotstein. Deze was zes jaar bij hem in analyse in de jaren zeventig, toen Bion in Californië woonde. In zijn recent verschenen boek A beam of intense darkness neemt Grotstein deze zinsnede als rode draad voor zijn weergave van Bions werk en diens erfenis aan de psychoanalyse. Het ‹kunstmatig verblinden van zichzelf› hangt direct samen met Bions vermaard geworden motto voor de analyticus ‹to abandon memory and desire›. Omdat deze berusten op zintuiglijke ervaring belemmeren zij volgens Bion de toegang tot het ervaren van psychische kwaliteiten die slechts toegankelijk kunnen worden middels een geestesgesteldheid die hij kenschetst als:› […] ‹faith› — faith that there is an ultimate reality and truth — the unknown, unknowable, ‹formless infinite››, en aanduidt met het symbool O (Bion 1970, p. 32).
Grotstein positioneert Bion ondubbelzinnig als ‹transcendentalist›, en hij wil vooral laten uitkomen hoe het denken van Bion telkens weer georiënteerd is op ‹O›, reminiscent aan Kants ‹Ding an sich› en Plato's leer van de absolute Idee. Hiermee biedt zijn boek ook een reflectie op filosofische en wetenschapstheoretische vragen. Grotstein is hierbij echter meer stellend dan bevragend, en de superioriteit die hij ongemotiveerd toekent aan dit transcendentalisme staat op sommige plaatsen een onbevangen lezing in de weg, bijvoorbeeld in de gelijkstelling van Bion aan een Prometheus die het vuur van de goden stal en aan de mensheid bracht. Daar staat tegenover dat het ook leidt tot interessante gezichtspunten, bijvoorbeeld waar hij de verhouding van transcendentalisme tot het positivisme van Freud en Klein psychoanalytisch benadert