You do not currently have permission to view the full text for this document. Please sign in to an account with an active subscription or contact support.
Na een cyclus van referaten en artikelen over seksualiteit (Sexuality, psychoanalytic perspectives) in 2001, hield de Foundation for Psychotherapy voor haar professionele leden in 2004 een nieuwe lezingencyclus over agressie en destructiviteit. Ook deze lezingen en bijdragen werden gebundeld door Celia Harding, in Aggression and destructiveness.
In het inleidende hoofdstuk (Harding) wordt de evolutie in het denken van Freud over agressie geschetst: agressie krijgt geleidelijk een meer centrale plaats in zijn denken en mettertijd erkent hij naast seksualiteit een ‹doodsdrift› als enigmatische bron van destructieve regressie. Zijn inzichten worden aangevuld met die van Klein, voor wie agressie veeleer de drijfveer van psychische ontwikkeling is. Als hedendaagse modellen over destructiviteit worden vooral de inzichten van Glasser over perversie en de verbanden tussen gedesorganiseerde gehechtheid en destructiviteit besproken.
In een volgend theoretisch hoofdstuk stelt Royston dat de doodsdrift als ‹constitutionele destructiviteit› een theoretisch moeilijk te verdedigen verklarend begrip is.
Het minimaliseert namelijk het belang van traumatische ervaringen met misbruikende en mishandelende zorgfiguren in de kindertijd voor het ontstaan van destructiviteit. Hij verwijt Freuds conceptualisatie dat ze in wezen intrapsychisch is, een conflict binnen het onbewuste tussen psychische energieën, alsof de feitelijke levensomstandigheden en ervaringen er slechts in tweede instantie toe doen.
Ondanks zijn bezwaren tegen de metapsychologische theorie van de doodsdrift erkent de auteur dat in de klinische praktijk verschijnselen als de negatieve therapeutische reactie moeilijk kunnen worden ‹begrepen› tenzij men in psychische inertie, herhaling, regressie, het effect van doodsdrift ‹ziet›.
In een goed artikel, From biting teeth to biting wit, beschrijft Parsons het proces van de integratie van agressie tijdens de vroegkinderlijke ontwikkeling. In een bijdrage van Rens wordt vanuit de geh