You do not currently have permission to view the full text for this document. Please sign in to an account with an active subscription or contact support.
‹When my love swears that she is made of truth / I do believe her, though I know she lies› (Shakespeare, The passionate pilgrim)
In het eerste deel van Recovery of the lost object zijn belangrijke theoretische artikelen van de Engelse, postkleiniaanse psychoanalyticus, Eric Brenman verzameld. In het
tweede deel worden drie klinische seminaries uitgewerkt waar Brenman collega's van de Milanese school superviseerde gedurende de jaren zeventig, tachtig en negentig, en hen enthousiast in contact bracht met het kleiniaanse gedachtegoed. Met name zijn opvatting dat supervisie een proces is waar ideeën vorm krijgen en verder uitgewerkt worden in aansluiting op het materiaal van de analysant, is vernieuwend en fris.
De theoretische artikelen gaan uit van de basisidee dat elk individu zijn leven lang een verbeten strijd levert om het aanvankelijke goede object te laten overleven in de orkaan van aanvallen door destructieve krachten en dat een goede objectrelatie in dit gevecht cruciaal is. Brenman hecht een opvallend belang aan het kunnen voelen van een grotere menselijkheid: hij legt verband met de grote en kleine drama's van het menselijk bestaan.
Brenman herinnert aan Melanie Kleins bespreking van Aeschylus' trilogie over de gebeurtenissen na de Trojaanse oorlog: de godin Athena laat door haar begrip voor primitieve maar o zo menselijke drijfveren de delicate balans tussen vergeven en bestraffen van Orestes' daad doorslaan in het voordeel van het eerste, waardoor een halt wordt toegeroepen aan de dodelijke cyclus van vergelding.
Brenman breekt een lans voor het gezonde aspect van het narcisme van de analyticus: in plaats van een ‹dirty word› is het narcisme van de analyticus van vitaal belang voor het levendig houden van het analytische koppel. ‹No love is meaningful without the donor having some self-interest.› Vanzelfsprekend moet de verblindende narcistische identificatie met de patiënt vermeden worden vanwege het gevaar van valse karakteriële aanpassing en mogelijk ager