You do not currently have permission to view the full text for this document. Please sign in to an account with an active subscription or contact support.
Dat psychoanalytisch georiënteerde onderzoekers en praktijkvoerende psychoanalytici weleens op gespannen voet leven met elkaar, behoeft geen betoog. Als historisch voorbeeld kunnen we verwijzen naar Freuds opmerking aan Saul Rosenzweig dat diens experimentele onderzoek naar verdringingsprocessen niet veel voorstelde in vergelijking met de weelde aan klinische bevindingen die de psychoanalytische thesen ondersteunen. Holistisch georiënteerde clinici vinden dat onderzoekers binnen het veld van de psychoanalyse in de regel komen aandraven met antwoorden op vragen die practici zich nooit stellen. Tot overmaat van ramp geven die onderzoekers zich geen rekenschap van de kernconcepten die het psychoanalytische werk oriënteren en zullen ze er nooit in slagen om vat te krijgen op de singuliere ervaring die een analyse toch steeds is. Omgekeerd hoorde ik menig onderzoeker schamper en meewarig spreken over de hopeloos verouderde kennis van praktiserende collega's en over de intussen lang achterhaalde concepten die deze eropna houden. In hun commentaar lijken clinici eerder museumsuppoosten die vondsten uit het verleden bewaken dan intellectuele bondgenoten. Ik stel het karikaturaal, maar misbegrip en eenzijdige superioriteitsgevoelens voeden nog steeds het grote eigen gelijk aan weerszijden van het continuüm. Zelf lees ik het spanningsveld tussen onderzoekers en clinici graag als een kans op subversie van vastgeroeste ideeën, waarvan er zowel in de psychoanalytische wereld als in het academisch georiënteerde onderzoek vele zijn.
Verdienstelijk aan het artikel van Saskia de Maat en Frans de Jonghe is dat ze hun methodologisch goed gevoerde en inmiddels internationaal gewaardeerde studies in ons taalgebied toelichten. Hun bevindingen ontkrachten een aantal klassieke vooroordelen ten aanzien van psychoanalytische therapie. Mooi tonen ze aan dat: