You do not currently have permission to view the full text for this document. Please sign in to an account with an active subscription or contact support.
Op vrijdag 6 juni 2008 vond het jaarlijkse symposium van de Stichting Psychoanalyse en Psychiatrie plaats in Artis, Amsterdam. Dit keer was het thema ‹De vrije wil?›, nadrukkelijk voorzien van een vraagteken, met goede sprekers en een ingespeeld duo-voorzitterschap van Frank Koerselman en Willem van Tilburg. Tussen de middag was er gelegenheid tot bezoek aan de dierentuin: overal geanimeerde discussies in het wild.
Van Tilburg, emeritus hoogleraar psychiatrie aan de Vrije Universiteit en psychoanalyticus, leidde het thema in. Als avondurenfilosoof, zoals hij zich afficheerde, had hij een helder en gedegen betoog. Refererend aan actuele thema's en opvattingen stelde hij dat mensen altijd ook ‹iets doen› met een op zich wilsbeperkende ziekte of stoornis. Maar wat nu te verstaan onder de vrije wil? Daar wordt gelukkig verschillend over gedacht en het debat is van alle tijden. Autonomie en authenticiteit worden als belangrijk genoemd. En er is het aspect van de rede.
De toon was gezet en de natuurwetenschap kwam aan het woord in de persoon van Peter Hagoort, hoogleraar cognitieve neurowetenschappen. Hij ging uit van de experimenten van Libet uit 1983, die laten zien dat vele milliseconden vóór wij ons onze wil bewust worden en omzetten in een keuze, er in het brein al een ‹Bereitschaftspotential› wordt gemeten. Hiermee zou aangetoond zijn dat het brein de vrije wil te slim af is. Zijn conclusie: er is heel weinig evidentie voor de vrije wil, het is een illusie, maar wel een algemeen gedeelde.
Gerben Meynen, psychiater en vooral filosoof, volgde Kant in zijn opvatting als die de vraag stelt wat er nog rest aan vrije wil als alles gedetermineerd lijkt door de wetten van Newton. In zíjn bespreking van Libets onderzoek stelt hij dat rede en overweging voorwaarde zijn voor een wilskeuze, terwijl het bij Libet om een ‹instant-experiment› zou gaan, waarbij ratio nauwelijks een rol speelt. Is hier eigenlijk wel sprake van een keuze? Meynen besluit met de voorlopige conclusie: het