You do not currently have permission to view the full text for this document. Please sign in to an account with an active subscription or contact support.
In Het gevaar van de Joodse erfenis — een bijzondere en grondige studie — onderzoekt psychoanalyticus en sociaal psycholoog Reijzer het verband tussen de geschiedenis van de psychoanalytische beweging en de karakterisering van de psychoanalyse als Joods. Hij presenteert het boek als ‹een speurtocht naar die momenten waarop het vermeend Joodse karakter in de geschiedenis van de psychoanalyse aan de orde is› (p. 46). De hardnekkige koppeling van de psychoanalyse aan haar Joodse erfenis, waardoor ze als ‹de Jood onder de wetenschappen› is behandeld, heeft tot complicaties geleid binnen de psychoanalytische wereld. Nu is er al zeer veel gepubliceerd over de rol van Freuds Joodse afkomst in de ontwikkeling van de psychoanalyse en over de reputatie van de psychoanalyse als ‹Joodse wetenschap›, maar ik meen dat deze publicatie zich in twee opzichten onderscheidt van de reeds bestaande. Ten eerste kiest Reijzer voor het perspectief van de psychoanalyse en de psychoanalytici zelf: niet zozeer de (eventueel vijandige) houding van niet-analytici tegenover de psychoanalyse is aan de orde, maar vooral hoe analytici en hun instituten zélf met de Joodse achtergrond omgaan. Ten tweede werkt de auteur de hypothese uit dat de psychoanalytische wereld zich met name — als een tegenoverdrachtsreactie op een web van antisemitische overdrachten op de psychoanalyse — van deze achtergrond wil distantiëren, wat her en der leidt tot niet mis te verstane antisemitische attitudes en uitlatingen binnen de eigen analytische kring, soms zelfs bij haar Joodse leden. Ze ziet haar Joodse erfenis immers als een gevaar, de karakterisering van haar vak als Joods als een bedreiging, aldus Reijzer (vandaar de titel van het boek, die op het eerste gezicht wat vreemd overkomt, alsof de auteur zelf voor dat gevaar wil waarschuwen). Om te beginnen nam Freud zelf al afstand van de Joodse erfenis, door te proberen via Jung de stigmatisering van ‹Joods› van de prille psychoanalytische beweging ongedaan te maken