You do not currently have permission to view the full text for this document. Please sign in to an account with an active subscription or contact support.
Meer dan twintig procent van de bevolking maakt in de loop van het leven een depressie door (Kessler e.a. 2003). Depressieve stoornissen zijn de meest behandelde aandoeningen in de ambulante geestelijke gezondheidszorg en er zijn verschillende effectieve psychotherapeutische methoden beschikbaar (Cuijpers e.a. 2008). Ook in de psychoanalytische praktijk behoren depressieve klachten tot de meest voorkomende problemen. Onderzoek naar de effectiviteit van de psychoanalytische behandelvormen bij depressies heeft echter lang (te) weinig in de belangstelling gestaan. Desalniettemin blijkt uit recente reviews dat de effectiviteit vergelijkbaar is met die van andere vormen van psychotherapie en zijn er aanwijzingen voor een voortgaande verbetering na afsluiting van de behandeling (Leichsenring e.a. 2004). Dit laatste suggereert dat met een psychoanalytische benadering ook de onderliggende persoonlijkheidskwetsbaarheid voor depressie verbetert.
Dit artikel gaat over de rol van het objectrelationeel functioneren bij depressies. Op basis van literatuur wordt de plaats van de objectrelaties in het psychoanalytische denkmodel besproken. Vervolgens worden data uit eigen onderzoek gepresenteerd waarin de rol is bepaald van het objectrelationeel functioneren bij kortdurende psychoanalytische steungevende psychotherapie (KPSP) (De Jonghe 2005). In de discussie komt de mogelijke betekenis van deze gegevens aan de orde.
Er zijn verschillende psychoanalytische hypothesen om de kwetsbaarheid van mensen voor depressie te begrijpen, maar dit heeft vooralsnog niet geleid tot een overkoepelende psychoanalytische theorie over depressies (Busch e.a. 2004).