You do not currently have permission to view the full text for this document. Please sign in to an account with an active subscription or contact support.
Waarom lezen wij eigenlijk romans?
Goede romans geven vaak een verrassende voorzet om iets te verwerken, te ontleden en te plaatsen, brengen ons in contact met psychoanalytische objecten, met moeilijke, onbekende of bevroren delen van onszelf en anderen. Verstaan en verstaan worden, in een soort emotionele afstemming met zichzelf en anderen, daar gaat alle psychoanalytisch denken toch over? Tegelijkertijd laat een roman ons toe ons even terug te trekken, met een boekje in een hoekje, met maximale veiligheid en minimale beïnvloeding door regressieve groepsfenomenen. Denken zonder levende anderen in de buurt kan zeer verrijkend en ver reikend zijn. Ik denk daarbij aan de oneliner van Albert Vigoleis Thelen uit Het eiland van het tweede gezicht: ‹De mens is geen zalm, als hij in een dichte school zwemt gaat het altijd stroomafwaarts.› Anderzijds kan men zich natuurlijk slechts beperkt terugtrekken, men mag niet verzanden in lethargie en passiviteit, of belanden in een schijnwereld.
Naast deze evenwichtsoefening tussen verwerken en zich terugtrekken verschaft lezen volgens mij het plezier zich in te leven in een tijdperspectief, een persoon of een situatie. Vaak met een heroïsch gevoel, zoals Freud (1908, p. 417) ons leert: ‹Er kan je niks gebeuren.› Aan dit verraderlijke kenteken van onkwetsbaarheid herkent men zonder moeite zijne majesteit het Ik, de held van alle dagdromen en romans.
Graag lezen verwijst ook naar de wens tot nadenken, overdenken en doordenken. Literatuur moet daartoe ook uitnodigen, genoeg ruimte laten. Het typeert de fijnzinnige, van spaarzame middelen gebruikmakende kunst van het schrijven dat de schrijver zijn held niet alle geheimen van zijn motivering hardop en volledig laat uitspreken. Daardoor dwingt hij ons die geheimen aan te vullen, houdt hij ons intellect bezig, buigt het af van het kritische denken en bestendigt onze identificatie met de held (Freud 1916, p. 192).
Bezig zijn met lezen gaat ook over levendige en levend wordende fantasie. Fanta