You do not currently have permission to view the full text for this document. Please sign in to an account with an active subscription or contact support.
De dood van Sigmund Freud is een lezenswaardig boek over Freud, in een onderhoudende stijl geschreven. Het verrassende ervan zit niet in nieuwe feiten. Wat de feiten betreft gaat dit boek niet uit boven de biografieën van Jones of Gay. Het originele — voor sommigen wellicht aanstootgevende — is dat hij Freud en Hitler tegenover elkaar stelt. Hij doet dat vooral in het eerste deel, Wenen. Daar waren zij gedurende enige jaren stadgenoten. Toen Hitler na de Anschluss in Wenen terugkeerde, moest Freud vluchten.
Edmundson — hoogleraar in Virginia — houdt zich bezig met het latere werk van Freud, niet met klinische vragen. Wat is de stelling van zijn boek? Volgens hem richtte Freud zich na 1909 op het gezag en op ‹de instantie die hij beschouwde als het centrum van gezag in de menselijke psyche, het Über-Ich› (p. 13). Met Freuds beschouwingen over het gezag correspondeert de psychologie van de aanhangers van Hitler, die een sterke man willen en een duidelijke vijand, die ze met een goed geweten mogen vernietigen. Hitler zal de mensen van hun verwarring verlossen en een einde maken aan de chaos. De honger naar ‹Waarheid, het Middelpunt, de Koning en de Wet› (p. 79) wordt bevredigd. Zo'n leider is tenminste duidelijk en ontslaat mensen van hun persoonlijke verantwoordelijkheid. Duidelijk is dat Freud en de psychoanalyse niet in dat behoeftige verlangen voorzien of willen voorzien.