You do not currently have permission to view the full text for this document. Please sign in to an account with an active subscription or contact support.
Ruimte maken voor de ziel aan het begin van de eenentwintigste eeuw is op zijn minst ongewoon; deze ter sprake brengen in het ‹moderne› (positief) wetenschappelijk denken is gedurfd. In Over de ziel vertrekt Jos de Kroon vanuit een lacaniaanse invulling van dat begrip, en hij eindigt erbij. Lacans opvattingen over de subjectwording zijn blijkbaar nog steeds een bron van inspiratie. Het verband dat de auteur legt tussen de ziel en het menselijke verlangen heeft, naar mijn mening, weinig aansluiting bij de westerse wijsbegeerte of bij de visie van Lacan.
We worden door de auteur rondgeleid in de rijke geschiedenis van het ‹denken over de ziel›. Het is een huis met vele kamers; de rondleiding mist soms samenhang en is over het boek verspreid. Hij licht een aantal grote denkers toe en schenkt ruim aandacht aan het filosofische materialisme, de voorbode van het materialistische denken in de hedendaagse psychiatrie. De kracht van het boek ligt vooral in de fundamentele bevraging van ons huidige (eenzijdig materialistische) paradigma en de gevolgen ervan voor de psychiatrie (en de menswetenschappen in het algemeen). De vooruitgang van de positieve wetenschappen waar de psychiatrie zich op beroept, is een weldaad voor de geestelijke gezondheid. Deze evolutie heeft ook beperkingen en houdt risico's in. Terecht wijst De Kroon op de verenging die de ‹objectiveringsdrang› in zich draagt; deze maakt ons blind voor het feit dat de menswetenschappen