You do not currently have permission to view the full text for this document. Please sign in to an account with an active subscription or contact support.
Of er sprake is van psychoanalyse of niet wordt volgens de auteur van The concept of analytic contact niet bepaald door formele aspecten van het kader, maar door het al dan niet realiseren van ‹analytisch contact›. Het contact wordt analytisch(er) indien het hier en nu van de overdracht en tegenoverdracht in zijn bewuste en onbewuste aspecten succesvol wordt geduid. Als men daarin niet slaagt, ontstaat geen analytisch contact of gaat het contact teloor. De stelling dat het proces belangrijker is dan het kader werd reeds eerder door onder meer Merton Gill theoretisch verdedigd, maar Waska wil die stelling nu met eigen klinische voorbeelden stofferen.
Waska gaat tekeer tegen diegenen die menen dat er van psychoanalyse slechts sprake is als de patiënt vijf keer per week op de divan ligt, en die het gebeuren hooghartig degraderen tot ‹psychoanalytisch georiënteerde therapie› als de patiënt slechts vier keer per week op de divan ligt. A fortiori wordt in sommige psychoanalytische kringen misprijzend neergekeken op therapieën die niet op de divan plaatsvinden en waar de frequentie slechts één, twee of drie zittingen per week is. Er worden volgens Waska te veel steriele en inhoudsloze discussies gevoerd over het belang van het aantal zittingen. Veel belangrijker dan een aantal keren per week en het precieze aantal minuten per sessie is de vraag of therapeut en patiënt psychoanalytisch aan het werk zijn. In onze tijd heeft de analyticus