You do not currently have permission to view the full text for this document. Please sign in to an account with an active subscription or contact support.
Gelukkig die weten dat achter alle talen het onuitsprekelijke staat; dat van daaruit, naar welgevallen grootheid op ons overgaat!1
In het klinische werk wordt men dikwijls geconfronteerd met moeilijk te diagnosticeren patiënten. Niet zelden is een combinatie van verschillende diagnoses nodig. Het voorbijgaan aan de onderliggende dynamiek van een persoon devalueert het diagnostische proces tot een benoemingsronde, zonder het aanreiken van therapeutische handvatten. Het denken omtrent de ‹alledaagse› psychose kan een antwoord bieden op dit probleem. Niet enkel komen fenomenologie en kliniek van de alledaagse psychose tegemoet aan tekortkomingen in het DSM-denken, ook bieden ze inzicht in het verloop en het doel van de behandeling.
De ontmoeting tussen het subject en de hulpverlener is onderhevig aan maatschappelijk-culturele evoluties. De recentste omschakeling kan benoemd worden als die van ‹Spreek en ik zal gezond worden›2 naar ‹Benoem en ik zal gezond worden›. In dit laatste credo valt een dubbele illusie van het weten te herkennen. Het subject krijgt een naam en positie en kan gerustgesteld naar huis gaan. ‹Ik weet dat ik autistische trekken heb, vandaar mijn problemen. Nu ik het weet, kan ik er rekening mee houden en is er geen probleem meer.› De massa kan pas tot rust komen wanneer de diagnose van de massamoordenaar bekend is. Het weten sust ons geweten. De hulpverlener van zijn kant heeft zijn (diagnostische) werk gedaan. Hij ‹weet› wat het is en meent daardoor het materiaal dat in de behandeling naar voren komt, te kunnen duiden (waar we het spreken en gezond worden weer zien opduiken). Het verplichte gebruik van de DSM draagt zeker bij tot deze dwang tot benoemen.