You do not currently have permission to view the full text for this document. Please sign in to an account with an active subscription or contact support.
In nummer 3 van jaargang 2008 nodigde de redactie de lezers uit ‹tot het schrijven van een essay over ethische aspecten van de psychoanalytische professionaliteit. U kunt een ethische stelling verdedigen of een situatie beschrijven die een interessant ethisch probleem of dilemma stelt. Misschien wilt u reflecteren op een eigen concrete ervaring, misschien wilt u meer algemene beschouwingen voorleggen. Of: roept het analytische kader zelf ethische vragen op, past men het al eens aan op grond van ethische overwegingen?› ‹Psychoanalytisch behandelen is onvermijdelijk ook ethisch handelen. Het lijkt ons relevant daar als beroepsgroep bij stil te staan en erover na te denken. Uw essay kan daaraan een inspirerende bijdrage leveren.›
De redactie en uitgever Elsbeth Greven kozen voor onderstaand essay, dat op toegankelijke wijze enkele herkenbare ethische aspecten van de psychoanalytische praktijk belicht.
Een lacaniaans aandoend woordspelletje brengt mij van ‹professionaliteit›, zoals die zich presenteert in de psychoanalytische realiteit, naar ‹praktijk› en ‹identiteit›. ‹Ethiek› krijgt van mij tussen deze begrippen een cruciale plaats. Mijn stelling kan ik nu namelijk dankzij mijn woordspelletje als volgt formuleren: de belangrijkste vijand van de psychoanalytische praktijk is de ethiek, die ook, en vaak tezelfdertijd, de innigste vriend is van de psychoanalytische identiteit.
Verder gaat mijn essay over hoe wij als professionele beoefenaars van de psychoanalyse zo vaak door allerhande ethische kwesties verscheurd dreigen te worden. Maar het gaat ook over hoe we daar dan een — liefst ethisch verantwoorde — oplossing voor vinden. Al is een patiënt bijna onuitstaanbaar, al is de familie eisend, al is