You do not currently have permission to view the full text for this document. Please sign in to an account with an active subscription or contact support.
Het effect van mooie verzen berust op de wanorde die ze aanbrengen in de verwachte orde van de betekenissen
Het uitgangspunt voor dit artikel is de stelling dat sinds de Romantiek, het tijdperk waarin de poëzie een proces van subjectivering onderging (Van Bastelaere 2001, p. 60), vrijwel alle poëzie autobiografisch gelezen kan en moet worden. In alle poëzie zijn sporen van autobiografische oorsprong te vinden. Maar naast dit inhoudelijk autobiografische kan men ook stellen dat het poëtische procédé op zich een teruggrijpen is naar het vroegtalige spreken en daardoor een psychische ruimte opent die de autobiografische gevoelswereld, het vroegmoederlijke en/of het onbewuste minder gecensureerd dan in en door ‹de stereotiepe taal›, tot spreken brengt. Het theoretiseren door Julia Kristeva over het semiotische in ‹le langage poétique› is hierbij de belangrijkste inspiratiebron. Als het zo is dat gedichten vrijwel altijd — ofwel in het dagboekachtig inhoudelijke ofwel in het genotvol spelen met taal — als autobiografisch beschouwd kunnen worden, dan is poëzie een genre dat nauw aanleunt bij het psychoanalytische spreken.
De stelling die ik hier wil verdedigen is dat poëzie vrijwel steeds aanleunt bij de zogenaamde ‹vloeiende autofictie› en dus veelal autobiografisch schrijven op die ‹autofictionele› manier (Gasparini 2008) genoemd mag worden.
Er zijn gedichten die openlijk anekdotisch zijn, die geschiedenissen beschrijven, die verslag uitbrengen van wat de dichter heeft meegemaakt. Deze poëzie, waartoe ook de ‹gelegenheidspoëzie› gerekend moet worden, staat dicht bij de expliciete autobiografe. De dichter creëert zich een min of meer transparante herinneringsruimte en roept zoals wellicht elke autobiograaf: ‹Vergeet mij niet!› Daarnaast is er de poëzie van de zogenaamde autonome gedichten, die over niets lijkt te gaan dat de auteur rechtstreeks in het geding