You do not currently have permission to view the full text for this document. Please sign in to an account with an active subscription or contact support.
De psychoanalytische theorievorming over de adolescentie is traag op gang gekomen. Het is nog steeds de vraag of men de betekenis ervan voldoende inziet en gebruikt voor het genereren van ideeën. Echt baanbrekende inzichten werden pas in de jaren zestig van de vorige eeuw gepubliceerd door Peter Blos (1967, 1968) en Erik Erikson (1968).
Blos onderzocht de vorming van het ‹karakter›, een begrip met een lange en rijke psychoanalytische traditie. Erikson beschreef de betekenis van een individuele ‹identiteit› in een toentertijd nieuw begrippenkader. Beide benaderingen hebben nog steeds een grote klinische betekenis, maar dan wel in de context van een hedendaags perspectief. Ik zal betogen dat zowel de oude als de nieuwe concepten in hun verstrengeling en onderlinge beïnvloeding belangrijk zijn voor het begrijpen van het ontwikkelingsproces.
Behalve de babytijd is er geen periode in het leven waarin complexe ontwikkelingen en veranderingen in zo'n korte tijd plaatsvinden. De lichamelijke en cognitieve rijping is genetisch bepaald. Deze brengt een psychische ontregeling teweeg die een groot beroep doet op de ‹containende› mogelijkheden van het gezinssysteem en de maatschappelijke instituties, zoals de school. Dit betekent ook een ‹tweede kans›, in de zin dat de onderhandelingen met objecten in buiten- en binnenwereld opnieuw gevoerd worden. De gemoedstoestanden in deze levensfase verschillen radicaal van die van vroegere periodes, omdat de lichamelijke en cognitieve uitgroei het mogelijk maakt dat agressieve en seksuele verlangens en fantasieën nu ook werkelijk in daden worden omgezet. De transformaties worden vaak als een abrupte breuk in de beleving van subjectieve continuïteit ervaren. Enerzijds wordt terugverlangd naar een geïdealiseerde kindertijd die niet gekend of herinnerd, maar alleen in scène