You do not currently have permission to view the full text for this document. Please sign in to an account with an active subscription or contact support.
Het is zo langzamerhand gemeengoed geworden dat artistieke producten, zoals gedichten, geen autobiografische verbindingen hebben met de kunstenaar en dat uit hun producten zeker geen conclusies over de maker getrokken kunnen worden. Hoe vaak is dat niet beweerd over Gerrit Achterberg? Bovenstaande bewering is een soort canon geworden die volmondig wordt onderschreven door dichter-psychiater Rutger Kopland. Hoe anders is de strekking van het artikel Poëzie en waarheid van het subject. Dankbaar maakt Jo Smet hierin gebruik van de inzichten van Julia Kristeva zoals zij die zo welsprekend heeft neergelegd in haar La revolution du langage poétique, maar hij voegt er iets autopoïetisch aan toe dat bij haar niet aan de orde komt: het autofictionele van het subject, dat Smet ontleent aan Gasparini.
Volgens de auteur heeft de antibiografische slingerbeweging zijn hoogtepunt bereikt en is het tijd dat de tegenbeweging wordt ingezet. Niet dat ik mij wil verzetten tegen de getijden in de literatuurwetenschappen, maar een relativerende opmerking bij het artikel van Smet lijkt mij op zijn plaats. De vraag is of het semiotische (moederlijke en dus vrouwelijke) met zijn imaginaire en reële implicaties, dichter bij de subjectieve waarheid ligt dan, laat ik zeggen, het meer objectieve (vaderlijke en dus mannelijke) van het symbolische, zoals Smet lijkt te betogen. De genoemde tegenstelling tussen transparante (expliciet biografische) subjectieve uitingen en autonome gedichten (antibiografisch), die juist het object trachten te verhullen, lijkt Smet te hebben overwonnen met de introductie van de ‹fictionele omweg›, waarin de dichter zichzelf niet zozeer uit, maar zichzelf schrijft. Deze omkering is weliswaar een elegante oplossing van de dialectiek tussen onthullen en verhullen, maar blijft desalniettemin een omkering.
De vraag dringt zich op wat dan de waarheid zou zijn: de subjectieve expressie of de autofictie van de dichter. Het antwoord is even eenvoudig als verwarrend: geen van be