You do not currently have permission to view the full text for this document. Please sign in to an account with an active subscription or contact support.
De psychoanalyse weet zich reeds vanaf haar conceptie geconfronteerd met kritiek die enerzijds haar theorie afdoet als leeg en conceptueel surrealistisch en anderzijds haar praktijk als hoogst bedenkelijk vanwege een vermeend gebrek aan wetenschappelijke basis en empirisch bewijs. Wat Gay (2005) over Sigmund Freud beweert, namelijk dat er tegenover iedereen die hem eert en roemt als een Columbus wel iemand staat die hem belastert en afdoet als een Cagliostro, geldt wellicht a fortiori voor Jacques Lacan, de Franse psychiater die halverwege de jaren vijftig van de vorige eeuw, via de structurele linguïstiek van De Saussure, een ‹retour à Freud› voorstond. Met Lacan beschikt de psychoanalyse over een nieuwe sterke figuur, die iedereen (inclusief de psychoanalytici zelf) ertoe dwingt positie te kiezen. Niet alleen formuleerde hij — dikwijls in impressieve en cryptische stijl — kritiek op zijn collega's, die zich volgens hem te oppervlakkig onderhielden met het analyseren van de weerstands- en overdrachtsfenomenen, maar ook pionierde hij met de idee dat het subject onderworpen is aan de wetten en eisen van de taal. Door zijn stijl, zijn scherpe uitspraken, zijn wending tot de structurele linguïstiek en tot de filosofie (o. a. Heidegger) bracht hij de polemiek over het vraagstuk of de psychoanalyse als een wetenschap, een kunst of als een vorm van bedrog moet worden beschouwd tot een heus paroxisme. In dit artikel wil ik nagaan hoe de psychoanalyse zich anno 2010 verhoudt tegenover de kritiek die haar te beurt valt. Bekeken wordt of de psychoanalyse tout court, en de lacaniaanse variant in het bijzonder, de toets van deze kritiek kan doorstaan. Daarnaast onderzoek ik in welke mate het überhaupt een goede zaak is dat de psychoanalyse zich meet aan de maat van deze kritiek. Moet de kritiek niet in de eerste plaats zelf bekritiseerd worden? Vanuit welke ideologie en vanuit welke mensopvatting wordt de kritiek eigenlijk geformuleerd?
Gomperts