You do not currently have permission to view the full text for this document. Please sign in to an account with an active subscription or contact support.
Het postmodernisme in de psychoanalyse neemt verschillende vormen aan. Er is geen omvattende ‹postmoderne› theorie van de psychoanalyse, net zoals er geen eenduidige analytische praktijk is. Binnen de Noord-Amerikaanse traditie is postmodernisme vooral verbonden met de intersubjectieve benadering binnen de psychoanalyse. Hier in Europa en in Zuid-Amerika verschijnt de postmoderne geest vooral binnen lacaniaanse en postlacaniaanse kringen.
De omarming van het postmodernisme door psychoanalytici heeft geleid tot een te pas en te onpas gebruiken, zelfs misbruiken, van de term ‹postmodernisme›. Het etiket ‹postmodernisme› is vaak gebruikt om de gehele traditie van postklassieke psychoanalyse te beschrijven en te bevatten, inclusief manieren van denken en werken die duidelijk verschillen van de huidige postmoderne filosofie. Psychoanalyse en postmoderne theorie lijken op het eerste gezicht incompatibel te zijn. Historisch gezien heeft de psychoanalyse zich bediend van grote verhalen, van de universaliteit van de oude mythologie om betekenis te vinden in wat de menselijke geest produceert en om het menselijk lijden te verlichten. Postmoderne theorievorming daarentegen verwerpt zowel de premisse van universaliteit als de mogelijkheid van (vaste) betekenis. Postmodernisme komt voort uit de filosofische traditie van het scepticisme. Van de Oude Grieken, via Montaigne en Hume, tot de twintigste-eeuwse poststructuralisten/postmodernisten hebben sceptici steeds geprotesteerd tegen overdreven aanspraken op kennis en dogmatisme. Het scepticisme bewoog zich tussen extreme afwijzing van enige aanspraken op de waarheid (het zogenaamde pyrronisme) en een epistemisch pragmatische insteek waarbij theorievorming secundair was en de oordeelvorming werd opgeschort. De recente klemtoon op verschil, rup