You do not currently have permission to view the full text for this document. Please sign in to an account with an active subscription or contact support.
I am suspicious of words.They do not interest me, they do not satisfy me.I suffer from the ways in which words wear themselves out.I am a very concrete woman.The forms are everything.An artist's words are always to be taken cautiously.Just the same, the artist must say what he feels.
Mijn eerste ervaring met het werk van Louise Bourgeois was een openbaring. Het Tate Modern opende in mei 2000 zijn deuren en had Louise Bourgeois, op dat moment zevenentachtig jaar, gevraagd een installatie te ontwerpen voor de Turbinehal. De lezer moet zich deze Turbinehal voorstellen als een immens grote, kale ruimte — ooit in gebruik als elektriciteitskrachtcentrale — met afmetingen van vijfendertig meter hoog en honderdtweeënvijftig meter lang. Voor die ruimte maakte Louise Bourgeois drie stalen torens van ongeveer veertien meter hoog. De eerste toren bestaat uit een pyloon met een spiraaltrap aan de buitenkant. Boven op de pyloon is een klein platform waar je als toeschouwer — de bedoeling is dat je alleen naar boven en naar beneden gaat — plaats kan nemen op een primitieve houten stoel en jezelf weerspiegeld ziet in vijf grote spiegels, zichtbaar voor de andere, wachtende toeschouwers beneden. Beneden teruggekomen vind je achter een dikke stalen deur een kleine ruimte waar een kleine glazen stolp staat met daarin een in roze zachte wol gebreid moeder-en-kind-beeldje waarvan de moederfiguur een open schreeuwmond heeft.
De tweede toren is een gesloten vierkante koker, opnieuw omgeven door een trap, waarin je van boven naar beneden kan afdalen, omsloten door een bloedrode wand, en beneden een bronzen beeldje ‹vindt› van een moeder, met aan haar linkerbeen een peutertje dat reikhalzend uitkijkt naar haar rechterborst waaruit moedermelk ‹verspild› op de grond valt.