You do not currently have permission to view the full text for this document. Please sign in to an account with an active subscription or contact support.
De Franse fenomenoloog Maurice Merleau-Ponty, die veel belangstelling en sympathie had voor de psychoanalyse, zei in een radio-interview eens het volgende: ‹Ik wil aantonen dat deze wereld voor ons in hoge mate ongekend blijft zolang we blijven steken in een praktische of nuttige instelling.›*
Deze visie spreekt me spontaan erg aan en ik heb weinig moeite om haar te verplaatsen naar de psychoanalytische therapeutische situatie: om de innerlijke wereld van onze patiënten te kunnen onderzoeken, kunnen we ons beter verre houden van bekommernissen over nut en praktisch voordeel. Of is dit te kort door de bocht? Men kan immers zeer logisch tegenwerpen dat psychoanalyse toch over de behandeling gaat van mensen die psychisch lijden en dat die er alle reden toe hebben om enig nut te mogen verwachten van de genuttigde therapie, met name dat het hun lijden enigszins zou verlichten. Dergelijke overwegingen kunnen ook meespelen in de indicatiestelling, bijvoorbeeld in de keuze tussen psychoanalyse en psychoanalytische psychotherapie: welk van beide opties is in dit concrete geval het nuttigst? En ook nadien kan men in casuïstisch of in groter opgezet onderzoek nagaan of een behandeling het beoogde resultaat heeft ‹opgebracht›. Natúúrlijk gaan we ervan uit de psychoanalyse nuttig kan zijn — onderzoek toont dit aan — en ethisch gezien is dit uitgangspunt ook een minimumvereiste, anders houden we onze patiënten en onszelf voor de gek. Dus, wat is er mis met nut, en met zijn subcategorieën wenselijkheid en haalbaarheid? Zo gaan we er ook van uit dat opvoeden nuttig is, hoezeer we daar als radeloze ouders, zeker van adolescenten, ook aan twijfelen. Trouwens, ook wetenschap in het algemeen wil intrinsiek nuttig zijn voor zover haar onderzoek praktische voordelen voor de mensheid nastreeft.
Dit alles neemt niet weg dat een al te ijverige preoccupatie met nut en efficiëntie al deze activiteiten, en dus ook het psychoanalytische werk, eerder belemmert dan vooruithelpt. Stel je voor dat ee