You do not currently have permission to view the full text for this document. Please sign in to an account with an active subscription or contact support.
In de huidige discussie over het al dan niet wetenschappelijke karakter van de psychoanalyse en van haar klinische praktijkvoering1 zijn ideologische premissen over wat de kwalificatie ‹wetenschappelijk› verdient, nooit ver te zoeken.2 De vraag die ik in dit artikel als uitgangspunt neem, is niet ‹Is de psychoanalyse wetenschappelijk?›, maar ‹Op welke wíjze is de psychoanalyse eventueel wetenschappelijk?› Ook op deze vraag is geen ideologisch neutraal antwoord mogelijk. Maar de verschillende mogelijke antwoorden kunnen wel beoordeeld worden wat betreft de mate waarin ze rekening houden met de specifieke kenmerken van de onderzochte praktijk. Mijn uitgangspunt is dat de antwoorden relevanter en informatiever zijn naarmate ze deze kenmerken kritisch maar bereidwillig mee in rekening brengen en de onderzochte praktijk niet afmeten aan criteria (bijvoorbeeld uit de zogenaamde ‹exacte› wetenschappen) die er (op dit moment) vreemd aan zijn. In dit artikel wil ik de lezer — de clinicus én de onderzoeker — uitnodigen naar de psychoanalyse te kijken als een fenomenologische praktijk.
Ik meen dat de psychoanalyse wetenschappelijk is of kan zijn ‹op fenomenologische wijze›. Dit zal ik proberen te verduidelijken door de psychoanalyse en de fenomenologie met elkaar te confronteren. Het is hierbij verre van mijn bedoeling de psychoanalyse tot fenomenologie te herléiden. We mogen niet uit het oog verliezen dat de onderzoekssituaties van de fenomenoloog en van de analyticus of psychoanalytisch psychotherapeut sterk van elkaar verschillen. De klinische situatie, waarin de psychoanalytische ‹onderzoeker› geconfronteerd wordt met een door psychische pijn ingegeven appèl van de patiënt, brengt specifieke kenmerken en een dynamiek met zich mee die de fenomenoloog vreemd zijn. Dit in acht nemend, meen ik echter wel dat de na te streven houding van de psychoanalyticus of psychotherapeut tijdens de analytische zitting te karakteriseren is als een fenomenologische houding, voor zover zij nam