You do not currently have permission to view the full text for this document. Please sign in to an account with an active subscription or contact support.
Dat wij ons vandaag de vraag stellen naar de gekte van de psychoanalyse, dat wij haar stellen onder de noemer van het ‹gek genoeg?›, kan geen toeval zijn. De psychoanalyse bevindt zich immers, zowel wetenschappelijk als sociaal-politiek, in een moment van crisis. Dit wil zeggen dat ze zichzelf ontmoet op een punt waar haar gevestigde weten uiteenwijkt, waar een gaping verschijnt tussen wat zich tot dusver in theorie en praktijk als zekerheid sedimenteerde, en iets van het leven zelf, dat duwt om opnieuw, vernieuwd, gedacht te worden. Zich de vraag stellen of de psychoanalyse gek of gek genoeg is, kan getuigen van een bereidheid om de vertwij feling die met de crisis gepaard gaat te erkennen en erover te reflecteren. De vraag kan echter ook getuigen van een bepaalde defensieve houding, waaraan psychoanalytici moeilijk blijken te kunnen ontsnappen wanneer hun discipline in het gedrang komt: ‹Gek, hoezo? Helemaal niet! Wie is hier eigenlijk gek? Is het niet veeleer weerstand van uw kan t!?› Het gevaar dat oprijst wanneer aldus de vraag wordt gesteld naar de capaciteit van de psychoanalyse om gek, gek genoeg, of helemaal niet gek te zijn, is dat op een impliciete manier reeds een bepaalde conceptie van normaliteit en aanpassing meespeelt en stilzwijgend de mogelijke posities verdeelt. ‹Gek of niet›, ‹gek genoeg›, ‹aangepast of niet›, ‹minder of meer aangepast›: de mogelijkheden zitten al gauw vast in een oppositionele denkruimte, een ruimte van het ene of het andere, het minder of meer.
Het lijkt me dat in tijden van crisis dit denken in tegenstellingen als eerste vermeden moet worden. Dit heeft een aantal implicaties. Bijvoorbeeld dat de psychoanalyse niet verdedigd hoeft te worden: een identificatie met haar verdediging loodst analytici alleen maar binnen in het veld van de ideologie, waar ze beter zo ver mogelijk vandaan kunnen blijven.1 Een andere implicatie is dat de psychoanalyse a priori niets met aanpassing van doen heeft, a priori ook niets met gekte, noch met n