You do not currently have permission to view the full text for this document. Please sign in to an account with an active subscription or contact support.
In dit artikel wil ik zelfdestructie aan de orde stellen en meer bepaald de grenzen die wij in het vak tegenkomen als we geconfronteerd worden met patiënten die zichzelf willen vernietigen. Recent noemde Kernberg (2009) aanhoudende zelfdestructiviteit een manifestatie van de doodsdrift. De doodsdrift? Was dat niet een begrip dat al jaren in een merkwaardige schemerstaat verkeert, conceptueel onhelder is en eigenlijk obsoleet, behalve bij de kleinianen en de lacanianen?
Vreemd genoeg — of juist niet — wordt het concept wél veel gebruikt door collega's die te maken hebben met patiënten met een traumatische voorgeschiedenis, zoals Brenner (2001), Laub & Podell (1995), Laub & Auerhahn (1993), Laub & Lee (2003), Grand (2000), Gerson (2009) en Thys (2008). Ik bedoel niet het aan inflatie onderhevige traumabegrip volgens hetwelk elke frustratie al snel als traumatisch wordt bestempeld, maar ervaringen van bedreiging van de integriteit of het leven die leiden tot intense, allesoverspoelende hulpeloosheid. Een van de bronnen van de controverse tussen Ferenczi en Freud was de vraag of de manifestaties van de doodsdrift nu universeel zijn of juist het meest optreden bij diegenen die in hun geschiedenis geconfronteerd werden met mishandeling, misbruik of de naijlende effecten van traumatische gebeurtenissen in het leven van hun ouders (Pelaez 2009). Dergelijke trauma's werken vaak als kogels in een dichte ruimte: ze riccocheren en weerklinken op niveaus waarvan we ons nauwelijks een voorstelling kunnen maken.
In dit artikel wil ik onderzoeken of het concept ‹doodsdrift› te gebruiken is om zelfdestructiviteit, die de behandeling van mensen met een voorgeschiedenis van dergelijke ernstige trauma's vaak zo moeizaam maakt, beter te begrijpen. Ik doe dat aan de hand van een vignet.