You do not currently have permission to view the full text for this document. Please sign in to an account with an active subscription or contact support.
Spinoza stelde dat de imaginatio weliswaar ontoereikend is om de werkelijkheid ‹werkelijk› te kennen, maar dat we deze wel nodig hebben voor het hoe dan ook kunnen hebben van ideeën. De verbeelding ligt aan de basis van alle denken. Ondanks haar oriëntatie op het woord en op het spreken is het beeld ook in de psychoanalyse een vitale dimensie. Als een analysant een droom vertelt, zet hij beelden om in woorden. De droombeelden worden verondersteld ook zelf al een omzetting te zijn van onbewuste voorstellingen. Hetzelfde geldt voor kinderspel en bij uitbreiding voor alle culturele uitingen. In die zin is onze cultuur altijd al een beeldcultuur geweest. Zijn ook beklijvende (dek)herinneringen niet in de eerste plaats beelden die we al dan niet stiekem koesteren, die ons genadeloos achtervolgen of onaangekondigd in ons binnenbreken? Als ik terugdenk aan een vroegere (of mijn eigen) analyse of therapie zijn het vooral bepaalde sterke beelden die cruciale of emotioneel beladen momenten van het analytisch proces samenvatten en evoceren. Zo weefde Freud bijvoorbeeld zijn analyse van de Rattenman rond bepaalde (wens)voorstellingen en herinneringsbeelden van het kijklustige kind en de ermee verbonden affecten en woorden, of wordt een kindertherapeut van nu gegrepen door de speelse beelden in de speltherapiekamer.
De psychoanalyse omarmt het beeld innig en neemt er tegelijk respectvol afstand van. Veel van haar inzet is ingegeven door de idee dat voorstellingen en beelden iets kunnen betekenen: zij laat beelden spreken. De ontwikkeling van beeldspraak is dan ook haar klinische handelsmerk. Het primaat van de verbeelding en de structurerende werking van het woord gaan er hand in hand (en soms met elkaar op de vuist). Voor zover de economie van ons psychische apparaat erop gericht is winst te genereren, gaat het om lustwinst. Wellicht kunnen we in dit verband ook spreken van ‹beeldenlust›, die lust die we ervaren aan het beeld, en de betekeniswinst die we daaruit puren. Want bete