You do not currently have permission to view the full text for this document. Please sign in to an account with an active subscription or contact support.
Ruim honderd jaar geleden publiceerde Sigmund Freud Opmerkingen over een geval van dwangneurose, de gevalsstudie van de Rattenman. Deze tekst kan gezien worden als kritische reflectie op en ook samenvatting van Freuds studies over de dwangneurose tot dan toe. Freud zelf maakt dat duidelijk wanneer hij het theoretische deel van zijn studie begint met een terugblik op een eerdere definitie van dwangvoorstellingen als ‹getransformeerde, uit de verdringing terugkerende verwijten, die altijd betrekking hebben op een seksuele, met lust verrichte actie in de kinderjaren› (Freud 1896, p. 770). We zouden daar nog Manuscript K uit 1896 aan toe kunnen voegen, waar Freud schrijft dat de dwangneurose zijn oorsprong heeft in een primaire agressiefseksuele ervaring die gepaard ging met lust, een ervaring die een zelfverwijt doet ontstaan dat eerst bewust is en later verdrongen wordt (Freud 1985, p. 293). De casus van de Rattenman grijpt daarnaast terug op Freuds eerdere gedachten over cultuur en moraal, dat wil concreet zeggen, de relatie tussen de verdringing van de seksuele drift en autoriteit (vaderfiguur).
De gevalsstudie is ook een tekst die vooruitloopt op een groot aantal thema's die Freud later zal uitwerken. Ik noem de belangrijkste: analyses van de constitutionele sadistische component van de seksuele drift; verder analyses van de relatie tussen liefde en haat in bijvoorbeeld de teksten over masochisme; differentiaties in het schuldgevoel (zelfverwijt in de melancholie, zelfbestraffing in het masochisme, schuldbewustzijn in de dwangneurose); de toepassingen met kleine modificaties van het model van de dwangneurose in de studies over cultuur en religie. Zelfs op het latere structurele model (Es, Boven-Ik, Ik) wordt in deze studie al gepreludeerd.
Vanuit dit algemene perspectief op de tekst wil ik allereerst een aantal centrale thema's van de gevalsstudie uitwerken, namelijk de vraag naar de betekenis en oorsprong van zelfverwijten (schuldgevoelens), en Freuds analyse van de