You do not currently have permission to view the full text for this document. Please sign in to an account with an active subscription or contact support.
Sinds de ‹Groep› zich in 2005 afsplitste van de Nederlandse Vereniging voor Psychoanaken
heeft zij zich inhoudelijk geprofileerd met tweepersonenpsychologie en de intersubjectiviteit. Een van haar promotiemiddelen is het jaarlijks organiseren van een aantal seminars en een symposium. Bij eerdere edities troffen mij de zorgvuldigheid en toewijding, maar ook een wat zendingsachtige nadruk op bovengenoemde uitgangspunten, met daardoor een zekere eenvormigheid tussen de sprekers onderling.
Thema van dit jaar was ‹Afgunst en jaloezie›, in de brochure ingeleid door Douwe Jongbloed. Eugenie Oosterhuis begon met een vooruitblik, over het verschil tussen de dyadische afgunst en de meer triadische jaloezie, de nauwe verwevenheid met aanslagen op het zelfgevoel en onvolbrachte separatie. Zij benadrukte ook de baarmoedernijd.
Ulrike Jongbloed bracht een breed opgezet verhaal, waarin zij via de universaliteit van afgunst en jaloezie in mythen en sprookjes, en de geschiedenis van de psychoanalytische theorievorming, uitkwam op de wijzen waarop de integratie van deze gevoelens kan mislukken. Delen van het gevoelsleven kunnen in het structuurmodel ontoegankelijk worden door verdringing. Objectrelationeel gedacht kan dit komen door onvoldoende holding om tot symbolisering en tot scheiding van zelf en object, werkelijkheid en fantasie, te komen, of wanneer pathologische splijting moet beschermen tegen een als vijandig of afwezig beleefde verzorger. Ondraaglijke leegheid is vaak het gevolg. Dikwijls neemt het kind dan zijn toevlucht tot illusies. Juist voor oedipale problematiek — met zijn sterke verbinding met grootsheid en uitverkorenheid versus waardeloosheid — worden vaak illusoire ‹oplossingen› gezocht. Niet voor niets is dit het domein van sprookjes. Hoe vroeger de onderliggende pathologie, hoe minder geverbaliseerd de analyticus de onverdraaglijke affecten te verteren krijgt en hoe meer door projecties en ageren, zoals aan de hand van mooie gevalsbeschrijvingen werd getoond. Na