You do not currently have permission to view the full text for this document. Please sign in to an account with an active subscription or contact support.
In het hier besproken boek van de Deense analytica Judy Gammelgaard staat het begrip ‹betweenity› centraal. ‹Tussen zijn›, ‹extra-intra›, ‹transit› zijn mogelijke vertalingen van het Deense woord mellemvaerende. Gammelgaard verwijst hiermee naar borderlinepatiënten die fluctueren tussen fantasie en realiteit, tussen verlangen naar intimiteit en vrees voor invasie, tussen zich willen realiseren en dreigen te mislukken. De begrippen ‹ambivalentie› en ‹intermediaire ruimte› verwijzen naar duidelijker posities, waar ik en de ander duidelijker onderscheiden worden. ‹Betweenity› is eerder, nog meer en vooral een manier van ‹being between›, van existeren, ‹tussen› zijn.
Tussen wat dan wel?
De auteur vertrekt ter beantwoording van deze vraag van twee belangrijke modellen voor de verklaring van het borderlinesyndroom: het moeder-kindinteractiemodel en het traumamodel. Binnen het moeder-kindinteractiemodel schrijft Gammelgaard uitvoerig over het kunnen mentaliseren (Fonagy) en vooral over de winnicottiaanse condities: alleen kunnen zijn met of zonder de betrouwbare aanwezigheid van een ander, kunnen spelen op een spontane, ongeorganiseerde manier, met oog voor vormloze ervaring en creatieve impulsen. Binnen het traumamodel maakt de auteur het belangrijke onderscheid tussen fysisch misbruik op zich en de psychische voorstelling ervan binnen het kind, dat ook een seksueel wezen is dat op misbruik reageert met gedachten en gevoelens. Elk psychisch trauma verloopt langs twee lijnen: enerzijds de pijn van de seksuele aanranding op zich en anderzijds de herinnering eraan, een psychische traumatisatie, met de seksuele energie die geheugenbeelden (her) bezet. Gammelgaard zegt het als volgt: de slachtoffers ‹begin to understand the extent and the significance of the sexual assaults at a time when their own sexual development allows an interpretation that was previously impossible› (p. 75). Als kind wordt men aangevallen door de buitenwereld en heeft dan geen wapens ter verdediging; nadi