You do not currently have permission to view the full text for this document. Please sign in to an account with an active subscription or contact support.
Zeker in zijn vroege werken laat Freud er geen twijfel over bestaan: alle pathologie — en voor Freud gaat het dan in de eerste plaats om de klassieke neurosen en de paranoia — vindt zijn oorsprong in een conflict tussen de seksualiteit en de ‹hogere› psychische functies. De seksuele functie voert ons volgens Freud onvermijdelijk ‹op andere (neurotische) wegen› (Freud 1930, p. 497). Freud is het eens met Nietzsche dat de mens ‹een ziek dier› is en hij maakt de seksualiteit voor deze ziekte verantwoordelijk. Voor deze ziekte bestaat geen echte remedie. Dit inzicht impliceert ook dat de psychoanalyse vanaf haar ontstaan op gespannen voet staat met de ontwikkelingspsychologie, tenminste voor zover deze laatste de psychische ontwikkeling begrijpt als een voortschrijdende en door een innerlijke wetmatigheid bepaalde gang naar volwassenheid en ‹normaliteit›.1 Deze gespannen verhouding is een steeds weerkerend thema in de psychoanalyse sinds Freud. Ik zal hiervan enkele aspecten schetsen in relatie met de problematiek van het theoretische primaat van de seksualiteit.
Met de introductie van de doodsdrift rond 1920 werd in het werk van Freud zelf het primaat van de seksualiteit gerelativeerd. Het kan dan ook niet verwonderen dat reeds Freuds eerste leerlingen — men denke bijvoorbeeld aan Melanie Klein — het absolute karakter van dit primaat afwezen. In de loop van de verdere evolutie van het psychoanalytische gedachtegoed is de aandacht meer en meer verschoven naar de objectrelaties, de gehechtheid en de mentalisering (Fonagy 2008).2 Hedendaagse theoretici van de gehechtheid en de mentalisering, zoals Fonagy, lijken het primaat van de seksualiteit inderdaad volledig op te geven. Maar wellicht zijn de zaken niet zo eenvoudig. Ik zal laten zien hoe en waarom Fonagy recent toch weer de seksualiteit een centrale en determinerende rol in de menselijke existentie gegeven heeft.
De mens is wezenlijk een ziek, dit wil zeggen onaangepast dier. Zeker in zijn vroege werk schrijft Freud de