You do not currently have permission to view the full text for this document. Please sign in to an account with an active subscription or contact support.
Aan het begin van de vorige eeuw is de seksualiteit door Freud van haar vertrouwde plaats gehaald met de publicatie van Drie verhandelingen over de theorie van de seksualiteit (Freud 1905). De ordentelijkheid van de ‹natuurlijke seksualiteit› verdween plotseling toen zij werd gepresenteerd in haar verwantschap met perversies en met de seksualiteit van kinderen. Ook nu nog is lezing ervan weldadig door de natuurlijke toon van de strakke redenering. Omzichtigheid ontbreekt, het materiaal is invoelbaar en de conclusies zijn verreikend. Freud heeft hiermee voor een seksuele bevrijding gezorgd.
Aan het eind van de vorige eeuw klaagt André Green over het verdwijnen van de interesse in de seksualiteit binnen de psychoanalytische gemeenschap (Green 1995). In recent gepubliceerd klinisch materiaal ontbreekt de seksualiteit niet, maar wordt zij vooral gepresenteerd in haar geschiktheid om andere aspecten van de persoon af te schermen. Seksualiteit heeft in het analytische werk haar oorspronkelijkheid verloren. Als zij zich voordoet moet men bedacht zijn op seksualisering.
De ruime aandacht in de afgelopen tijd voor de perversie is een verwant verschijnsel. De perversie krijgt een steeds bredere definiëring en het perverse wordt in steeds meer verschijnselen herkend. De seksualiteit lijkt in de theorievorming door de perversie te zijn geïnfiltreerd. De perversie is de ongunstige variant van de seksualiteit geworden, een morele categorie. Hiermee is het fascinerende van de seksualiteit afgestaan aan de perversie.1
Ruth Stein onderzoekt in haar artikel The poignant, the excessive and the enigmatic in sexuality (1998) het fascinerende van de seksualiteit zonder dat prijs te geven aan de perversie. Maar zij verzet zich vooral tegen het bloedeloos en betekenisloos worden van het begrip ‹seksualiteit› doordat het beperkt wordt tot alledaagse behoeftebevrediging. Zij maakt bezwaar tegen de ondergeschikte plaats die het begrip krijgt als men het slechts beschouwt als tijdelijk onderkomen