You do not currently have permission to view the full text for this document. Please sign in to an account with an active subscription or contact support.
Ik richt me niet op de waarheid van de verklaringen, maar op de suggestieve en inventieve kracht, de kleur en de dramatische lading ervan.
(Vargas Llosa 1984, p. 99)
‹Heeft de psychoanalyse nog iets te bieden voor de kliniek van het autisme, nu de biologische oorzaak ervan algemeen wordt aangenomen?› Regelmatig hoor ik deze vraag, ook van collega-psychoanalytici. In zijn recente Histoire de l'autisme schrijft Hochmann dat men binnen de psychoanalyse te lang theoretiseerde over oorzaken extern aan het kind (2009, p. 327). Het probleem met deze theorieën is volgens hem dat het onmogelijk is ze te weerleggen en dat het gevaar bestaat dat ze gebruikt worden als een binaire, vereenvoudigende logica (Hochman 1994). Intussen werd immers ook een waaier van organische afwijkingen vastgesteld bij mensen met autisme en aanverwante stoornissen, die zelf als niet meer dan risicofactoren begrepen kunnen worden (Bursztejn & Golse 1990).
Volgens Delions bespreking van de verschillende stromingen in het onderzoek van autisme ‹kunnen we op dit moment met T. Benedek het model van de transactionele spiraal weerhouden: volgens hem kan de primum movens van de stoornis [autisme] heel goed bij het kind liggen: een of andere eigenaardigheid die de respons van de ouders kan ontregelen, wat op zijn beurt het disfunctioneren van het kind weer kan doen verergeren en zo verder (, 470 en Laznik, 2003)› (Delion 2007, p. 36). In het (psychoanalytisch) werk met jonge kinderen met autisme is het van belang dit catastrofale ‹autistiserende proces› (Hochman 2009) om te buigen en de relationele vermijding (Carel 2003) van het kleine kind te verminderen of op te heffen.
Deze visie van psychoanalytici op autisme als complex fenomeen is in het Nederlandstalig werkgebied (in ‹autismekringen›) minder of niet bekend, hoewel ook binnen de ‹organische› richting sommige autisme-onderzoekers focussen op de vroege moeder-kindinteractie, waarin complexiteit en wederkerigheid een plaats krijgen (Meirsschaut 2010).