You do not currently have permission to view the full text for this document. Please sign in to an account with an active subscription or contact support.
Dissociatie als een manier van omgaan met traumatische gebeurtenissen is moeilijk nog weg te denken uit het psychiatrische landschap. Toch spreekt Elisabeth Howell in haar recente boek over een maatschappelijke dissociatie van de dissociatie: deze ‹disorder› wordt nog te veel genegeerd, slachtoffers valt soms ‹blame and shame› te beurt.
Dissociatie, toestanden van het zelf die gescheiden worden gehouden, verwijst voor Howell naar het niet assimileerbare, het ondraaglijke. Het gaat daarbij om vier matrices die te maken hebben met trauma: de ongeïnteresseerde ouder en het verwaarloosde kind, de sadistische misbruiker en het hulpeloze kind, de redder en de geredde, de verleider en de verleide. De essentie van trauma noemt de auteur ‹de ervaring tot een object gemaakt te zijn, met dissociatie als gevolg›. Dit lijkt mij een bruikbare definitie, die niet alleen verwijst naar een traumatische gebeurtenis, maar vooral naar de context van die gebeurtenis. Een verwarrende of vreesaanjagende verzorger creëert bovenop het trauma een sfeer van hulpeloosheid en ‹fright without a solution›, hetgeen resulteert in een gedesorganiseerde hechting. Dissociatie is dan de kortetermijnoplossing voor onopgeloste hechtingstrauma's. Dissociatieve identiteiten van tegelijk slachtoffer, aanklager en redder van de verzorger komen daarbij vaak voor. Howell geeft verschillende klinische voorbeelden om haar kijk te illustreren.