You do not currently have permission to view the full text for this document. Please sign in to an account with an active subscription or contact support.
Er bestaat in de literatuur over Freuds werken over religie een hardnekkig misverstand dat keer op keer uitdrukking vindt: religie — of iets preciezer: de voorstelling van en het geloof in God — is uitdrukking of resultaat van projectie. Deze opvatting lijkt op het eerste gezicht sterke papieren te hebben. Zo schrijft Freud al in een brief uit december 1897 over endopsychische mythen dat een onduidelijke waarneming van het eigen individuele psychische apparaat denkillusies voortbrengt, die vervolgens naar buiten worden geprojecteerd in de toekomst of in de ‹gene zijde›, die dan in wezen niets anders is dan de afbeelding van dat onduidelijk waargenomen psychische apparaat (Freud 1962, p. 204). In Psychopathologie van het dagelijks leven lijkt Freud nog een stap verder te gaan wanneer hij schrijft: ‹Ik meen inderdaad dat een groot deel van het mythologische wereldbeeld, dat tot ver in de moderne religies doorwerkt, uitsluitend naar de buitenwereldgeprojecteerdepsychologie is› (Freud 1901, p. 292, Freuds cursief). Een volgende stap wordt in Totem en taboe gezet. Opnieuw bespreekt Freud daar mythologie, dit keer in relatie tot het geloof in demonen en als bestanddeel van het animisme, dat hij definieert als een door projectie van innerlijke waarnemingen tot stand gekomen wereldbeschouwing van de primitieve mens (Freud 1912-13, p. 77). Freuds uiteenzettingen over projectie in het animisme en in het demonengeloof lijken simpelweg te worden gecontinueerd in het vierde deel van Totem en taboe, waar hij stelt dat ‹God in wezen niets anders is dan een verheven vader› (erhöhte Vater) (idem, p. 153). Deze verheven vadergod zou dan dus een projectie zijn, enigszins in lijn met wat een aantal van zijn leerlingen al hadden beweerd: God is niets anders dan een op de hemel geprojecteerde vader (Westerink 2005, p. 120 e.v.). De idee dat God een door projectie verheven vader is, zou dan in latere teksten in zoveel woorden worden herhaald (bijvoorbeeld Freud 1930, p. 470).
De hier gesug