You do not currently have permission to view the full text for this document. Please sign in to an account with an active subscription or contact support.
Sinds de millenniumwende is er in Frankrijk heel wat heisa geweest rond de psychoanalyse. Het begon met de algemene mobilisatie tijdens de eerste Staten Generaal van de Psychoanalyse in juli 2000. Deze kreeg haar vervolg na de studie van het Institution Nationale de la Science et des Experiments Médicales (INSERM) over psychoanalytische, gedrags- en familietherapie, waarir de superieure uitzonderingspositie van de psychoanalyse tot grote gram van haar tenoren onderuit werd gehaald. Er volgden controversiële wetsvoorstellen rond de erkenning van psychotherapie en een eerste piek op de schaal van Richter bij het verschijnen van Le livre noir de la psychanalyse . Dit werd beantwoord door Pourquoi tant de haine van Frankrijks grande dame van de psychoanalyse, Elisabeth Roudinesco, en door L'Anti Livre noir de la psychanalyse onder redactie van Jacques-Alain Miller. Naar aanleiding van Le crépuscule d'une idole — L'affabulation freudienne van Michel Onfray (2010a) bereikte de intellectuele mediastorm een voorlopig hoogtepunt. De Engels-Pakistaanse auteur Hanif Kureishi noemt een en ander in topkrant Le Monde ‹een typisch Frans debat dat de buitenlandse intellectuelen fascineert›.
Op het eerste gezicht schreef Onfray met dit boek een typisch antifreudiaans essay, vol petite histoire die iedereen al kende en die geen enkel belang heeft voor de actuele psychoanalytische praktijk/kliniek. Gebaseerd op de historische kritiek van de Freudlegende, de epistemologische kritiek op zijn pseudowetenschappelijkheid en een morele incoherentie die blijkt uit het contrast tussen zijn geschriften en zijn briefwisselingen, worden Freuds tekorten blootgelegd. Dus: zijn psychoanalyse is te wantrouwen. Het is een populair (want ad hominem) argument in de publieke arena. Eerst wordt Freud als filosoof voorgesteld. Daaruit volgt dat de psychoanaly