You do not currently have permission to view the full text for this document. Please sign in to an account with an active subscription or contact support.
Sinds 2005 organiseren de afdeling Klinische Psychotherapie voor Persoonlijkheidsmoeilijkheden (KLIPP) en de psychoanalytische dienst van UPC KULeuven, campus Kortenberg, met succes een reeks studiedagen, waarvoor reeds veel prominenten uit de internationale analytische wereld werden aangetrokken. Voor de tiende studiedag was dat David Tuckett. Vanuit de constatering dat de hedendaagse psychoanalyse gevaar loopt haar specificiteit kwijt te raken en veel vragen en bedenkingen oproept omtrent haar werking, werd onder Tucketts impuls een ‹Comparative Clinical Method› ontwikkeld. Hiermee kan men aan de hand van concrete zittingen nagaan wat het verband is tussen het handelen van een therapeut en zijn impliciete theorie, om zo onder andere het gebrek aan een goed omlijnde klinische theorie te ondervangen. Tevens faciliteert de methode een vergelijking tussen verschillende ‹scholen›. Als pionier was Tuckett dan ook de uitgelezen figuur om het publiek meer vertrouwd te maken met deze innovatieve, en inmiddels internationaal toegepaste, methode.
Met de centrale vraag ‹What do psychoanalytical therapists do and how do they know they do it?› ging Tuckett geanimeerd van start om zijn tweestapsmethode uit te leggen. Een groep van circa twaalf collega's uit verschillende scholen komt gedurende anderhalve dag samen om enkele zittingen te bediscussiëren, voorgelegd door één presentator. Tuckett benadrukte meermaals het belang van een formele discussie over de individuele interventies, waarbij de groep tracht om deze binnen zes vooraf bepaalde en vaststaande categorieën te plaatsen (stap 1). Vervolgens poogt men hieruit een verklaringsmodel te abstraheren dat de gepresenteerde zittingen en ressorterende interventies kan weergeven en waarbinnen ook het emotionele (van zowel patiënt als analyticus) een plaats krijgt (stap 2). Belangrijk noemt