You do not currently have permission to view the full text for this document. Please sign in to an account with an active subscription or contact support.
De psychoanalyse heeft over het geheugen en de verstoringen ervan nagedacht en getheoretiseerd. Al in de vroegste geschriften van Freud is er een opvallende belangstelling voor geheugen en herinnering. In zijn Studies over hysterie schrijft Freud dat hysterische patienten lijden aan reminiscenties, dat wil zeggen het opnieuw opduiken in het bewustzijn van herinneringen aan vroegere ervaringen. Vooral het emotioneel herbeleven en uitspreken van de vergeten traumatische gebeurtenis zou een therapeutische functie vervullen: dit was de essentie van de catharsis. Achteraf is gebleken dat herinneren alleen onvoldoende is om tot definitieve genezing te leiden. Renn, werkzaam in een eigen praktijk te Londen, heeft vooral psychoanalytisch gewerkt met criminelen die geweldsdelicten hebben gepleegd. In zijn boek integreert hij verschillende relationele analytische theorieën (relationele psychoanalyse, interpersoonlijke psychoanalyse, zelfpsychologie) met onderzoeksbevindingen (geheugenonderzoek, gehechtheidsstudies, traumatologie, babyobservatie) en dynamische systeemtheorie.
Volgens Renn heeft het empirische geheugenonderzoek vooral de dynamische aard van geheugenprocessen in de schijnwerpers gezet. Nu weten we dat we over twee belangrijke en te onderscheiden geheugensystemen beschikken die tot op zekere hoogte onafhankelijk van elkaar opereren, beide hun eigen ontwikkelingsverloop kennen en met elkaar een wisselwerking aangaan. Het expliciete geheugensysteem komt relatief laat tot rijping en is gebonden aan de werking van de hippocampus en de temporale hersenkwabben. Daarom zijn er geen expliciete herinneringen aan de eerste levensjaren. Ons zelfgevoel en identiteitsgevoel zijn meer afhankelijk van het expliciete geheugen voor vroegere episodes en autobiograische feiten. Het impliciete geheugensysteem is evolutionair ouder en hangt af van subcorticale hersenstructuren die al eerder actief zijn dan de structuren die bijdragen aan het expliciete geheugen. In tegenstelling tot e