You do not currently have permission to view the full text for this document. Please sign in to an account with an active subscription or contact support.
Op de laatste Dag van de Psychoanalyse, in februari van dit jaar, beschreven Jos Dirkx en Tineke Hartgers op boeiende en amusante wijze hoe het vak van de psychoanalyticus in films en tv-series vorm krijgt, vaak op karikaturale wijze. Vaak wordt het ook als seksueel grensoverschrijdend gepresenteerd, en we weten allemaal maar al te goed hoe vaak dat inderdaad voorkomt. Is dat hetzelfde in literaire fictie? Hoe gevaarlijk is het volgens romanschrijvers om een analyticus te zijn? En is het beeld van de analyticus veranderd nu de psychoanalyse zo marginaal is geworden?
Vier recente romans/thrillers heb ik bekeken vanuit de vraag op welke wijze een psychoanalyticus er ten tonele wordt gevoerd. De eerste is de Amerikaanse Jay Hamilton in het boek van Aifric Campbell: De logica van het moorden . Jay, werkzaam in West-Londen, is ook een bekende schrijver, zij het onder pseudoniem. Hij gebruikt namelijk de verhalen van zijn patiënten. Een crisis ontstaat als een biografe een boek over zijn broer Robert wil schrijven. Robert, een wereldberoemd semanticus, is in 1971 vermoord, waarschijnlijk door jonge mannelijke prostituees die hij opzocht. Jay heeft hem gevonden. Geconfronteerd met de nogal indringende biografe en onafgemaakte zaken in zijn leven valt Jays persoonlijkheid uit elkaar. De definitieve teloorgang treedt in wanneer een patiënte een kind kidnapt. Jay wist het en had het kunnen voorkomen, maar hij deed het niet omdat het verhaal zo veel beter in zijn nieuwe roman paste. Jay wordt beschreven als een eenzaam en ijdel man. Hij gebruikt zijn patiënten, ook al weten ze dat niet. Hij steelt hun verhalen om er fictie van te maken.
Dat is anders bij de nieuwe creatie van het schrijvende echtpaar Nicci French: Blue Monday . Zij creeerden een psychoanalytica met de veelbetekenende naam Frieda Klein (naar Fromm-Reichmann, n