You do not currently have permission to view the full text for this document. Please sign in to an account with an active subscription or contact support.
Het begon met een idee van Freud, uitgesproken op het congres in Boedapest in 1918. Freud voorzag dat ooit het geweten van de maatschappij zou ontwaken. Dan zouden ook arme mensen het recht krijgen op psychische hulp. Er zouden instituten worden opgericht waar mensen met psychische klachten gratis zouden kunnen worden behandeld. Max Eitingon liet zich inspireren door het idee en richtte in 1920 in Berlijn een psychoanalytische polikliniek op. Patienten hoefden alleen iets te betalen als ze zich dat konden veroorloven, ze mochten daar zelf over beslissen. De analytici werkten er gratis. Eitingon betaalde het hele raamwerk (Bentinck 2013, hfst. 18). De polikliniek was vanaf het begin een enorm succes. Er kwamen niet alleen veel patienten. Er kwamen ook veel aspirantanalytici uit binnen- en buitenland, die hier een mogelijkheid zagen om het vak te leren. Vanuit de Berlijnse psychoanalytische vereniging werden er reeksen cursussen gegeven in de polikliniek. Hanns Sachs deed de leeranalyses, maar de toestroom was te groot en andere analytici moesten het van hem overnemen.
Langzamerhand ontstond de behoefte om het leeraanbod strakker te organiseren en een opleiding tot psychoanalyticus te maken. Er werd een commissie ingesteld bestaande uit Karl Abraham, Carl Müller, Sachs en Karin Horney onder leiding van Eitingon. Deze presenteerde in 1924 op het congres in Salzburg het Berlijnse opleidingsmodel als volgt (Giefer, Korrespondenzblatt, X, , p. 231-233).
De vereiste vooropleiding voor het analyseren van volwassenen was een studie geneeskunde met neurologischepsychiatrische specialisatie. (Dit was tegen de wens van Freud in, die de opleiding helemaal niet wilde beperken tot artsen.) Studenten waren welkom, ze hoefden hun studie nog niet voltooid te