You do not currently have permission to view the full text for this document. Please sign in to an account with an active subscription or contact support.
Tien jaar actieve forensische kliniek toont mij dat heel wat analytici van mening zijn dat een ‹vrij spreken› in tegenspraak is met de notie van ‹gedwongen hulpverlening›. Ook de samenwerking met en/of inmenging van justitiële actoren doet hen terugdeinzen. De psychoanalyse is deels aan de kant geschoven door dominante ‹evidence based› therapiestromingen. Maar is er niet meer aan de hand? Het lijkt wel alsof de psychoanalyse zelf ook het hazenpad heeft gekozen in dit forensische veld.
De eonerete vraag van justitie en bij uitbreiding van de maatsehappij ligt bij het doorverwijzen immers op het voorkomen van recidive. Een stoornisdiseours gaat hand in hand met een risicodiscours en dit koppel overheerst vandaag het denken over ‹de misdadiger›. Analytiseh werken strookt niet met het boekhoudkundig bijhouden van risicofactoren en de verzekering tegen niet-recidiveren. Mijn mening is dat er naast de dominante therapievormen in dit veld ook een pertinente plaats en een opdracht zijn weggelegd voor de psychoanalyse. Zij kan binnen haar eigen klinische toepassing, haar theorievorming en ethiek een wezenlijke bijdrage leveren in het behandelen van personen die strafbare feiten pleegden. Psychoanalyse focust op de ‹functie› die het symptoom inneemt binnen de subjectieve logica van een subject en viseert niet enkel het probleemgedrag.
Ik belicht eerst de DSM-diagnostiek en het hedendaagse empirische onderzoek met betrekking tot mannelijk exhibitionisme. Hierna werk ik een ‹regarder en arrière sur Freud› uit. Hoewel zij haar grenzen en beperkingen heeft, wens ik mij in dit artikel exelusief te riehten tot Freuds visie op exhibitionisme. Deze lijkt me in het ruimere kader van de psychoanalytische benadering belangrijk genoeg om er een