You do not currently have permission to view the full text for this document. Please sign in to an account with an active subscription or contact support.
In 2005 publiceerde Judith Nelson een standaardwerk over huilen, Seeing through tears — Crying and attachment. Recent verscheen de vrolijke tegenhanger, What made Freud laugh, een boek over lachen, bekeken vanuit de gehechtheidstheorie. Ondanks de titel gaat dit boek niet over Freud of over de psychoanalyse, en het gaat ook niet over dingen die Freud of wie dan ook doen lachen. Het onderwerp van dit boek is lachen als gehechtheidsgedrag (‹attachment behavior›).
In de gehechtheidstheorie was lachen tot nu toe een onderbelicht thema, onder andere doordat Bowlby, door Darwin op het verkeerde been gezet, lichen (‹laughter›) als een intensievere vorm van glimlachen (‹smiling›) opvatte. Bowlby was een groot bewonderaar van Darwin, en was waarschijnlijk beïnvloed door diens opvatting dat er tussen lachen en glimlachen slechts een kwantitatief verschil bestaat (Nelson, p. 44). Nochtans kan nu net de gehechtheidstheorie mooi laten zien dat lachen kwalitatief van glimlachen verschilt. Terwijl glimlachen tot het gehechtheidsgedrag in strikte zin behoort, is lachen eerder verbonden met het spelen en exploreren in de interactie met een persoon aan wie men al gehecht is en bij wie men zich al veilig voelt. De glimlach van de baby hecht de moeder aan het kind. Door het samen lachen en spelen wordt deze gehechtheid de basis voor een speelse en vrolijke interactie waarbij het niet meer alleen gaat om veiligheid