You do not currently have permission to view the full text for this document. Please sign in to an account with an active subscription or contact support.
Uit het commentaar van Marc Hebbrecht op mijn artikel over de opleiding blijkt dat ik mijn gedachten onvoldoende duidelijk heb geformuleerd. Het gaat mij om een soort tweetrapsraket: allereerst een postgraduate opleiding in deeltijd, binnen een universitaire context. Deze theoretische opleiding, waarbij allerlei aspecten van het psychoanalytisch gedachtegoed worden onderwezen, is toegankelijk voor iedere geïnteresseerde met een universitaire master, dat wil zeggen economen, juristen, leraren, theologen, artsen, literatuurwetenschappers, psychologen enzovoort. Omdat het een deeltijdopleiding betreft, kan deze naast de andere werkzaamheden gevolgd worden. De tweede trap is dan de opleiding tot het binnen de wet-BIG geregistreerde beroep van psychoanalyticus. Deze beroepsopleiding is voltijds en alleen toegankelijk voor diegenen uit de ‹eerste trap›, die al geregistreerd zijn binnen de wet-BIG of daarvoor in de toekomst in aanmerking komen (artsen, psychiaters, psychologen). Deze beroepsopleiding vindt plaats in de setting van een maatschap, een polikliniek of een ggz-instelling, dus los van de universiteit. De assistent-psychoanalytici krijgen dan natuurlijk ook een voltijdssala-ris en kunnen daar bijvoorbeeld hun opleidingsanalyse van betalen.
Ten slotte nog het punt van de hobbyclub voor ouden van dagen en Hebbrechts jonge, mooie dames. Mijn opmerking was niet humoristisch bedoeld, maar geeft een oprechte zorg aan over een wereldwijd waarneembare trend van steeds verder gaande veroudering van het ledenbestand. Zoals ik aangaf ligt in Nederland de gemiddelde leeftijd van de leden van de psychoanalytische verenigingen inmiddels boven de vijfenzestig. Een hobbyclub voor bejaarden, die er nog jong uitzien dan?