You do not currently have permission to view the full text for this document. Please sign in to an account with an active subscription or contact support.
Uitgangspunt van dit essay is de vraag of de psychoanalyse nog een therapie is voor deze tijd. Ik kijk terug op hoe ik zelf tot de psychoanalyse kwam, hoe ze mij verleidde en bezielde, maar ook teleurstelde.
Terugkijkend zie ik ook hoezeer de samenleving, en met haar de psychoanalyse, veranderd is in de voorbije decennia. Een vergelijking tussen psychoanalyse en literatuur laat mij toe een paar conclusies te formuleren over de plaats van de psychoanalyse in onze tijd.
Als jongeman koos ik er na de middelbare school voor om filosofie te gaan studeren. Die keuze had veel te maken met mijn diepgewortelde scepticisme. Bij al wat als waarheid wordt voorgeschoteld heb ik vragen en twijfels, ik sta sceptisch tegenover alle zekerheden. Op mijn manier was en ben ik nog steeds een ‹cartesiaan›: twijfel is niet alleen de eerste zekerheid, het is vooral de oorsprong en ook de blijvende voedingsbodem van het denken, waarzonder het denken snel steriel wordt. Mijn scepticisme had mij, nog voor mijn keuze voor de filosofie, reeds verwijderd van het traditionele katholieke geloof waarin ik was grootgebracht, en later bracht het mij ook tot de psychoanalyse.
In de filosofie vond ik veel van wat ik er hoopte te vinden: een denken dat niet bang is voor twijfels, dat in de eerste plaats kritisch is en vooral niet dogmatisch, een denken dat zich verre houdt van het wijd verbreide spuien van persoonlijke opinies zonder enig soortelijk gewicht. Toch was de filosofie voor mij ten dele een teleurstelling, omdat ik het gevoel had dat zij, met al haar abstracte theorieën, te ver verwijderd bleef van het reële leven, van het lichaam, van ons vlees en onze driften. Filosofische overtuigingen leken nauwelijks een invloed te hebben op het reële leven van de filosofen. Het kwam