You do not currently have permission to view the full text for this document. Please sign in to an account with an active subscription or contact support.
Dit was de negenentwintigste keer dat een symposium werd georganiseerd door de Stichting Psychoanalytische Symposia in samenwerking met het Nederlands Psychoanalytisch Genootschap (NPG), liet JOS Dirkx, voorzitter van het NPG, weten. In zijn terugblik beschreef hij dat jarenlang bijeengekomen werd in een partyboerderij in Bunnik. Vervolgens verhuisde het symposium naar de schouwburg, en de laatste jaren vindt het plaats in het academiegebouw aan het Domplein te Utrecht. Ik herinner mij de symposia in Bunnik nog zeer goed: niet alleen door de uitstekende lezingen die door een combinatie van theorie en casuïstiek een boeiend geheel vormden, maar ook omdat deze bijeenkomsten in mijn herinnering altijd op zonnige dagen werden gehouden, in een per auto goed bereikbare boerderij.
Dit jaar werd de reis per trein naar Utrecht door allerlei werkzaamheden aan het spoor een gedesorganiseerde ervaring, maar op het symposium verliep gelukkig wel alles volgens het spoorboekje, onder leiding van de voorzitter/forumleider Nelleke Nicolai. De titel van het symposium, Kind, gezin en identiteit, doelde vooral op de ontwikkeling van het kind, aldus Marijke Lenstra-Kalkman in haar openingswoord. Pas in de jaren vijftig van de vorige eeuw kwam er meer belangstelling voor de kindertijd en de identiteitsontwikkeling. Zo schreef Hella Haasse in 1959 een essay genaamd Dat weet ik zelf niet. De titel was ontleend aan een Tataars sprookje waarin aan een jongetje wordt gevraagd: ‹Hoe moet jij een mens worden?› De jongen antwoordt hierop: ‹Dat