You do not currently have permission to view the full text for this document. Please sign in to an account with an active subscription or contact support.
‹Brieven als die van u moet ik altijd wel met sympathie in ontvangst nemen› — zo klinkt het bij de aanvang van Freuds allereerste brief aan Jeanne Lampl-de Groot (11 september 1921). Niet anders is het met de ontvangst van de eerste integrale vertaling en uitgave van de brieven van Freud aan deze voor Nederland heel bijzondere analytica. Bovendien klinkt een opmerking van Jeanne Lampl-de Groot (in een brief aan haar ouders van 27 november 1922) als een oude, bijna verloren maar desalniettemin blijvend weergalmende echo en als een nog steeds actueel appèl. Immers, de psychoanalyse is weliswaar niet geboren uit een zucht van de ziedende zee, maar: ‹De analyse is geboren uit de ervaring, vooral geboren uit de nood van de tijd, even consequent als alle geestelijke stromingen.›
Op die manier heb ik impliciet aangestipt wat de twee onderdelen zijn van Bögels' boek: enerzijds de vertaling van Freuds brieven aan een grande dame uit de pionierstijd van de psychoanalyse, anderzijds fragmenten uit de brieven van Jeanne aan haar ouders.
Vooreerst is er de briefwisseling tussen Freud en Lampl-de Groot, waaruit jaren van intense samenwerking én liefde opdoemen: voor die Sache, de psychoanalyse, maar evenzeer voor elkaar. Op een vraag van Jeanne om haar analyse te hervatten, antwoordt hij bijvoorbeeld enthousiast: ‹Ik zou niet weten wat me zou kunnen weerhouden om u wanneer u terugkomt die paar uren te geven die u wenst. Uw voortgezette analyse moet u tot zelden bereikte hoogten van volmaaktheid brengen› (Freud, 12 augustus 1937). Een minnaar had het niet mooier kunnen verwoorden. Net zoals het een goede roman betaamt, is er overigens iets onherroepelijk verloren — namelijk de brieven die Lampl-de Groot schreef aan Freud. Deze brieven werden op haar expliciete vraag vernietigd door Anna Freud. De analogie met de beklijvende liefdesroman van David Grossman, Jij bent mijn mes, is dan ook onvermijdelijk. Grossman had aanvankelijk zowel de brieven van zijn mannelijke (Jaïr) als zijn vro