You do not currently have permission to view the full text for this document. Please sign in to an account with an active subscription or contact support.
In dit artikel wil ik bespreken hoe het met het ‹psychoanalytisch denken› in de forensische behandelcentra in Nederland is gesteld. Ik geef eerst een voorbeeld en probeer vervolgens een beeld te schetsen van de huidige plaats van het psychoanalytisch denken in de forensische behandelcentra. Daarna zal ik aan de hand van verdere casuïstiek de hypothese ‹aankleden› en uitwerken waarop dit artikel is gebouwd, namelijk dat een vermeerderde psychoanalytische inbreng een meerwaarde kan betekenen voor behandelingen in een forensische context. Ik probeer te laten zien dat met wat meer oog voor een aantal facetten van het psychoanalytisch denken bij behandeling, bejegening en beleid mogelijk de kwaliteitvan de behandeling zal kunnen toenemen en de lengte van de behandeling zal kunnen worden bekort.
Een terbeschikkinggestelde krijgt, tijdens een door de verlengingsrechter gevraagde tussentijdse beoordeling in het Pieter Baan Centrum (PBC, observatiekliniek) over de noodzaak tot verlenging van de aan hem opgelegde terbeschikkingstelling (tbs), van zijn behandelkliniek te horen dat men hem ‹vanwege herhaalde ongewenste relatievorming binnen de kliniek› niet meer terug wil en dat hij overgeplaatst zal worden naar een andere behandelkliniek. De behandelkliniek tracht (naar het lijkt in navolging van de splijtingsreacties van de patiënt) het PBC te verleiden dit slechte nieuws aan betrokkene over te brengen. Daar ziet het PBC uiteraard van af, waarbij de behandelkliniek gevraagd wordt daarin zelf verantwoordelijkheidte nemen, hetgeen uiteindelijk ook geschiedt. Het wordt voor betrokkene inmiddels de derde overplaatsing gedurende zijn tbs-behandeling, die op dat moment ruim vijfjaar loopt.
Ik denk dat hier, maar zo zijn er gemakkelijk andere voorbeelden te noemen, ernstig onderschat wordt wat het acute en plotselinge overplaatsen doet met