You do not currently have permission to view the full text for this document. Please sign in to an account with an active subscription or contact support.
Een centrale vraag in de literatuur over de geschiedenis van de waanzin en de psychiatrie en over de cultuurhistorische plaats van de psychoanalyse is de vraag of en in hoeverre nosologische categorieën en classificatiesystemen historische constructies zijn of misschien toch adequate beschrijvingen van universele en onveranderlijke ‹natuurlijke soorten›. Thomas Szasz en Michel Foucault zijn begin jaren zestig de eersten die betogen dat psychische ziekten theoretische constructen zijn zonder feitelijke basis (Szasz 1975). Zij zeggen dat de opkomst van de moderne psychiatrie met haar telkens weer aan veranderingen en verschuivingen onderhevige classificatiesystemen gezien moet worden als het resultaat van sociaal-culturele uitsluitings- en disciplineringsmechanismen (Foucault 1961; Szasz 1975). Meer recent heeft vooral Ian Hacking laten zien dat in de psychiatrie sociaal-culturele discursieve formaties en ordenings modellen bepalend zijn voor hoe subjecten geconstitueerd worden binnen het begrensde veld van mogelijkheden dat met deze formaties en modellen is gegeven. Verschillende vormen of typen van subjectiviteit (d.w.z. de zelfconstitutie van het subject in zijn verhouding tot de eigen innerlijkheid en lichamelijkheid) worden pas mogelijk binnen een specifiek sociaal-cultureel veld van kennis (theorieën en categorieën) en praktijk (regulatieve procedures en technieken, instituties) (Hacking 1995; 2004).
Inmiddels is er veel historisch onderzoek gedaan naar de geschiedenis van de waanzin en van geestesziekten, naar de opkomst van de psychiatrie en de ontwikkeling van nosologische categorieën vanaf de zeventiende eeuw. Uiteraard vindt dit onderzoek zijn meeste materiaal in de negentiende en twintigste eeuw (tot en met de vele kritische reflecties op de opeenvolgende versies van het classificatiesysteem DSM) (bv. Blom 2004). Maar ook de vroegmoderne periode waarin de galenische humoraaltheorie en uiteenlopende morele en religieuze overtuigingen bepalend waren voor de v