You do not currently have permission to view the full text for this document. Please sign in to an account with an active subscription or contact support.
Kan men een hemel zwart als modder nog verlichten? (Baudelaire 1995, p. 159)
In de herfst van 1920 verschijnt Freuds Aan gene zijde van het lustprincipe. Freuds latere confessie dat hij in deze en in de erop volgende teksten zijn ‹lang onderdrukte neiging tot speculatie de vrije loop [heeft] gelaten›, vormt tot op vandaag gefundenes Fressen voor critici allerhande (Freud 1925, p. 122). Zelfs menig zelfverklaard Freudadept is geneigd om Aan gene zijde van het lustprincipe aan de kant te zetten als een verwaarloosbare anomalie in het freudiaanse corpus. Niet zelden beschouwt men Freuds tekst dan ook als een faux pas, een theoretisch curiosum, bulkend van pseudometafysische Schwärmerei. De ultieme steen des aanstoots vormen de herformulering van het driftdualisme en de introductie van het doodsdriftconcept meer in het bijzonder.
De weerstand tegen de doodsdrift is niets nieuws. Zelfs de geïnformeerde lezer van 1920 beleefde de doodsdrift in het beste geval als een versteend archaïsme uit de laatromantische traditie, een unheimlich aandoend anachronisme of een redundante frivoliteit van een generatie waarvan men door ‹den Grooten Oorlog› was afgescheiden (De Vleminck 2014). Eerder dan nostalgisch terug te blikken naar de chaotische beginjaren wilde de generatie analytici van de jaren 1920 op zelfverzekerde wijze een begin maken met een verregaande professionalisering, institutionalisering en internationalisering van Freuds Sache (De Vleminck 2013a). Net op dat moment introduceert Freud schijnbaar plotsklaps een nieuw en enigmatisch theoretisch concept. Bij voorbaat zijn velen — al dan niet ten onrechte — van oordeel dat het concept elke klinische relevantie ontbeert. Deze toenmalige weerstand is niet te herleiden tot koudwatervrees, zo leert ons de geschiedenis. Tot op vandaag vindt een grote groep analytici — zij die de (wetenschappelijke) status van de psychoanalyse als theorie en praxis bedreigd zien voorop — dat Freuds doodsdrift behalve een theoretische ook een klini