You do not currently have permission to view the full text for this document. Please sign in to an account with an active subscription or contact support.
Bij het werken met verstandelijk gehandicapten is het probleem van agressie nooit ver weg. Deze agressie is meestal niet persoonlijk bedoeld en het geweld vindt niet met voorbedachten rade plaats. Het is geen uitdrukking van haat of wreedheid. De agressie waar we hier mee te maken hebben, is van een andere aard: plotselinge uitbarstingen van geweld, die worden uitgelokt door een combinatie van angst, woede en verontwaardiging. Omdat dergelijke gewelddadige uitbarstingen voor de omgeving moeilijk te verdragen zijn, ontstaat al snel de neiging om dit gedrag te medicaliseren, en te diagnosticeren als ‹challenging behaviour› of, zoals in de nieuwste versie van de DSM, als ‹Disruptive mood dysregulation disorder›. Dergelijke diagnostische labels maken van het agressieve gedrag dat ons bedreigt en in verwarring brengt, een abnormaliteit. Het wordt een ziekte, een stoornis of een disfunctie. Deze pathologisering van het gewelddadige gedrag werkt geruststellend want ze ontneemt het elke subjectieve zin. Het verontrustende gedrag verliest elke zeggingskracht.
Het is de taak van een hedendaagse klinische antropologie om zich te verzetten tegen deze tendens van de psychiatrie om elk aberrant of onaangepast gedrag te isoleren en te objectiveren als een stoornis of een disfunctie. Een dergelijke klinische antropologie kan, in tegenstelling tot de psychiatrie, niet uitgaan van een radicaal en principieel onderscheid tussen normaliteit en pathologie.1 Het gaat er immers om het gewelddadige of onaangepaste gedrag te begrijpen als een driftmatige problematiek en dus als een menselijke mogelijkheid. Dit begrijpen biedt uiteraard geen antwoord op de diagnostisch-etiologische vraag wat de patiënt onderscheidt van de normale mens en waarom, maar op de antropologische vraag hoe een bepaalde pathologie een algemeen-menselijke, existentiële mogelijkheid realiseert.2 Met het oog op een dergelijke klinische antropologie van de agressie, schets ik eerst kort Szondi's concept van de ‹paroxismal