You do not currently have permission to view the full text for this document. Please sign in to an account with an active subscription or contact support.
Toen de Poolse regisseur Krzysztof Kieślowski in 1974 een documentaire maakte over een dakloze familie, bezorgde hij het gezin via via een appartement. Achteraf voelde hij zich ongemakkelijk over zijn bemoeienis. Hij besefte dat hij de werkelijkheid niet uit altruïstische motieven had bijgestuurd, maar deze optimistische wending paste eenvoudigweg beter bij zijn eigen project. Eind jaren zeventig schakelde hij over van documentaire naar fictie, omdat hij het filmen van echte tranen te obsceen was gaan vinden. Groot gelijk had Kieślowski volgens cultuurfilosoof Slavoj Žižek, want documentaires zijn een vorm van huisvredebreuk waarbij men ‹something more Real than Reality itself› aantreft. In haar rijk geschakeerde Psychoanalysis and ethics in documentary film beschouwt Agnieszka Piotrowska de keus van Kieślowski als de weg van de minste weerstand. Haar studie is een poging om te overdenken onder welke voorwaarden het maken van documentaires, waarbij intieme, verbale getuigenissen een sleutelrol spelen, wel degelijk een ethische activiteit kan zijn. Piotrowska pareert overtuigend de ongelukkige aanname dat de documentaire een ‹vertoog van eenvoud› zou zijn met een objectief wetenschappelijke inslag. Vanwege die valse aanspraak op objectiviteit is de psychoanalyse als mogelijk klankbord lange tijd buitengesloten, aldus Piotrowska, en werden de lessen van Freud en Lacan in de filmwetenschappen enkel op de narratieve fictiefilm betrokken. Dat het credo ‹objectiviteit›