You do not currently have permission to view the full text for this document. Please sign in to an account with an active subscription or contact support.
Freud gebruikte de metafoor van het gebroken kristal om aan te geven dat psychopathologie — meer bepaald de syndromen hysterie, dwangneurose, paranoia, en later de melancholie — de uitvergroting is van structuren die in elk van ons aanwezig zijn. Door studie van de psychopathologie leert de psychoanalyse ons veel over wat het betekent mens te zijn. Vanuit dat perspectief is ze een ‹pathoanalyse› en kan ze gekarakteriseerd worden als een ‹klinische antropologie›. Elk onderzoek van psychisch lijden veronderstelt minstens impliciet een wijsgerige antropologie. Met dit uitgangspunt stellen de redacteuren van Freud als filosoof dat Freud, ondanks zichzelf, een filosoof is. Het is niet hun bedoeling om de freudiaanse psychoanalyse, zoals gangbaar is, te bekritiseren vanuit of te plaatsen in bestaande wijsgerige onderzoekskaders, maar om te onderzoeken waaruit ‹een eigensoortig freudiaans wijsgerig project› (p. 11) kan bestaan. De zes auteurs, allen filosoof en de meesten ook psychoanalyticus, onderzoeken in dertien hoofdstukken welke wijsgerig antropologische merites in het freudiaanse denken zélf vervat liggen. Dit gebeurt in drie secties. Freud vertrekt van de specifieke kenmerken van de menselijke seksualiteit, werkt verder uit welke rol deze spelen in de psychopathologie en bestudeert daarnaast de verwantschap van de respectieve pathologieën met verschillende culturele formaties.
Twaalf van de dertien hoofdstukken verschenen eerder, waarvan zeven in het Tijdschrift voor Psychoanalyse. Ook het enige oorspronkelijke hoofdstuk verscheen ondertussen, opgedeeld in twee artikelen, in datzelfde tijdschrift. Voor lezers van het Tijdschrift voor Psychoanalyse biedt het grootste deel van het boek dus weinig nieuws. Dit wordt ruimschoots goedgemaakt door de overige vijf hoofdstukken en door het dragende kader van de consistente en zeer lezenswaardige bundeling. Ik loop snel het geheel langs. De Block bespreekt Freuds ‹antropologische wending› aan de hand van het paradoxale karakt